EPILEPSIE : ENKELE VRAGEN EN ANTWOORDEN


 

BASISINFORMATIE

(bron: literatuur over epilepsie)

1.WAT IS EPILEPSIE?

Epilepsie, vroeger ook vallende ziekte genoemd, is te wijten aan een tijdelijke stoornis van de elektrische aktiviteit van de hersencellen waardoor iemand een aanval krijgt.
Epilepsie is een chronische aandoening, wat wil zeggen dat het kenmerk ervan is dat de aanvallen zich herhalen kort na elkaar of verspreid over langere periodes.
Een eenmalige aanval noemt men nog geen epilepsie.
Epilepsie kan het gevolg zijn van een hersenletsel, een ziekte, een tumor..., maar er is niet altijd een duidelijke oorzaak vast te stellen.


2.ZIJN ER VERSCHILLENDE VORMEN VAN EPILEPSIE?

Er is niet "1" of "DE" Epilepsie, maar er zijn verschillende epilepsie-en.
Elke epilepsievorm heeft zijn eigen kenmerken naargelang zijn oorzaak, door zijn uitingsvorm of type aanvallen, de frekwentie en intensiteit ervan, de leeftijd waarop de aanvallen begonnen, de gevoeligheid voor behandeling, de evolutie van de aanvallen...

Men heeft de verschillende soorten aanvallen van epilepsie geklassificeerd volgens hun verschijningsvorm (vaak wordt hun kenmerkend EEG-beeld ook vernoemd).


1. GEGENERALISEERDE AANVALLEN
hebben steeds als kenmerk een plotse ontlading waarbij beide hersenhelften betrokken zijn, dit gaat gepaard met plots bewustzijnsverlies, kramptoestand, tonusverlies, schokkende bewegingen
- de tonisch-clonische aanvallen (grand-mal) :
de patient valt tijdens de tonische fase verstijfd neer, de spieren spannen zich op, de ademhaling stokt door de kramptoestand van de borstkasspieren (20-30 seconden), en gaat langzaam over in de clonische fase die gekenmerkt wordt door ritmische schokkende bewegingen, vooral van armen en benen.
De ademhaling komt terug, stotend, met overvloedige speekselproduktie.
Door een eventuele tongbeet kan dit speeksel bloederig zijn.
Urineverlies kan ook optreden. Deze fase duurt doorgaans enkele minuten en wordt gevolgd door een soort relaxatie. De patient voelt zich moe en uitgeput en wil meestal slapen.

- de absences zijn gekenmerkt door een zonder waarschuwing plots optredende bewustzijnsdaling waarbij de patient abrupt stopt met zijn bezigheden, dit meestal niet langer dan 30 seconden.
Bijkomende verschijnselen kunnen het wegdraaien van de ogen, schokjes in het gezicht of automatismen (zoals doelloze handelingen) zijn.
Het bewustzijn keert plots en volledig terug en de patient gaat gewoon door met zijn werkzaamheden zonder vaak te weten dat er een aanval was.
De term 'petit mal' gebruikt men voor de typische absences, zonder bijkomende verschijnselen als automatismen.

- de myoclonische aanvallen geven korte trekkingen in spiergroepen of ge‹soleerde spieren.
Deze spierschokken kunnen eenmalig zijn of in series voorkomen, en soms zo hevig zijn dat de patient daarbij valt of voorwerpen die hij in de hand hield door de schok in de lucht gooit. Deze aanvallen komen vaak voor in de periode kort na het ontwaken of direkt na het in slaap vallen.

- de tonische aanvallen manifesteren zich door een verstijving van de ledematen in een verwrongen houding, waarbij de patient niet steeds valt.
Meestal draait hij hierbij om zijn as door een omslaande krampbeweging van hoofd en romp. Het herstel is sneller dan bij de tonisch-clonische aanval.

- clonische aanvallen lijken goed op tonisch-clonische aanvallen doch de stijfkramp ontbreekt. Ze treden vaak op in series en de schokken nemen langzaam in frekwentie af. Het herstel is meestal snel.

- atonische aanvallen zijn gekenmerkt door een plotse spierslapte (tonusverlies) waardoor de patient op de grond valt. Soms kan enkel het hoofd plots voorover slaan door verlies van tonus in de nek en armspieren.


2.
PARTIELE AANVALLEN
of focale aanvallen ontstaan in een deel van de hersenen, in 1 hersenhelft.

- de elementaire (enkelvoudige) parti-ele aanvallen zijn gekenmerkt door storingen in 1 enkel deel van de hersenen, waarbij het bewustzijn vaak blijft (zeker in het begin). De patient weet dus zelf dat hij op dat moment een aanval heeft, maar dit wordt niet altijd door de omstaanders waargenomen. Afhankelijk van de plaats waar de focus (epileptische haard) zich in de hersenschors bevindt, spreekt men van partiele aanvallen met motorische (i.v.m. bewegingen), sensibele (vreemde gevoelens), sensorische (zintuiglijke waarnemingen), autonome (i.v.m. onwillekeurige lichaamsfunkties) en psychische (i.v.m. psychische funkties zoals stemming, de herinnering, het denken...) verschijnselen.

- de complex-partiele aanvallen:
deze aanvallen hebben een samengesteldverloop en er komen vaak verschillende verschijnselen voor.
Hierbij is het bewustzijn gestoord.
De patient heeft een starende blik, ziet bleek, en vertoont automatismen zoals wrijven, friemelen, doelloos rondlopen, slik- en smakbewegingen met de mond. De aanval begint meestal met een aura waarbij de persoon soms een eigenaardig gevoel krijgt in de maagstreek of buik, ofwel een eigenaardige geur- of smaaksensatie heeft...

Na de aanval is de patient nog enige tijd verward en kan zich vaak niets herinneren van de aanval, of enkel dat hij met iets bezig was.
Bij dit soort aanvallen is de storing meestal gelegen in de temporale kwab (slaapkwab) van de hersenen en noemt met ze ook wel psychomotore aanvallen.

Partiele aanvallen kunnen zich ontwikkelen tot secundair veralgemeende aanvallen, met bewustzijnsverlies en spiertrekkingen.

De
STATUS EPILEPTICUS kan bij alle aanvalsvormen voorkomen. Het is een toestand van herhaalde aanvallen zonder dat er van herstel van bewustzijn tussen twee aanvallen sprake is.
Medisch ingrijpen is hier geboden.

Bij een status van clonisch-tonische aanvallen is spoedopname in een ziekenhuis soms nodig.


3. HOE WORDT EPILEPSIE VASTGESTELD?


De arts ziet zelden de patient tijdens een aanval. Om te kunnen vaststellen of het om epilepsie gaat of welk aanvalstype de patient heeft, heeft de hij enkele hulpmiddelen:

- De beschrijving van hetgeen gebeurd is door een getuige, daar bij de patient het bewustzijn meestal gestoord was bij de aanval: tijdstip en duur van de aanval, verschijnselen eventueel voor, tijdens en na de aanval, soms uitlokkende faktoren ‚n de voorgeschiedenis van de patient (anamnese).

- Daarnaast zullen een reeks laboratoriumonderzoeken volgen zoals bloedonderzoek, urinetest... om na te gaan of het eventueel gaat om b.v. een afwijking in de stofwisseling of een vergiftiging...

- Een EEG-onderzoek : waarbij men pijnloos de elektrische aktiviteit (spanningsverschillen) van de hersenen meet en registreert. Dit gebeurt door op welbepaalde punten op het hoofd draden te kleven die naar een versterker leiden.
De impulsen worden versterkt en weergegeven in een aantal golflijnen waaruit de specialist kan opmaken of deze registratie epileptische kenmerken bevat.

Maar het EEG is niet onfeilbaar.
Als het geen kenmerkende afwijkingen bevat, kan iemand toch epilepsie hebben, omdat er op het moment van de registratie geen epileptische aktiviteit aanwezig is of deze gebeuren in andere delen (b.v. dieper) van de hersenen.
Het EEG kan soms ook kenmerkende epilepsie-afwijkingen vertonen zonder dat de persoon klachten of verschijnselen heeft als aanvallen. Het kan dus toevallig zijn dat die persoon een aanleg voor epilepsie heeft zonder echt epilepsie te hebben.

In gespecialiseerde centra kan men tegenwoordig aan langdurige registratie doen al of niet gekoppeld aan video-apparatuur om de observatie optimaal te laten verlopen.
Het EEG is dus een aanvulling of bevestiging van een nauwkeurige observatie.

- In sommige gevallen zal, vooral als het EEG en de anamnese daartoe aanleiding geven, ook een r”ntgenonderzoek van de hersenen worden uitgevoerd, meestal een CT-SCAN (computertomografie) waarbij als het ware afbeeldingen worden gemaakt van kleine plakjes van de hersenen.

De NMR-of MRI-SCAN (nucleaire magnetische resonantie) neemt beelden van de hersenen zonder dat er r”ntgenstralen bij te pas komen maar waarbij men met behulp van sterke magneten de hersenstrukturen kan zichbaar maken.

De PET-SCAN (positron emissie tomografie) geeft een beeld van het energieverbruik van de hersenen, en zo kan men epileptische haarden detekteren.

4. DE BEHANDELING VAN EPILEPSIE

De behandeling berust momenteel grotendeels op het gebruik van medikatie, anti-epileptica genoemd. Deze genezen de epilepsie niet, ze onderdrukken slechts de aanvallen. De medikatie moet regelmatig ingenomen worden, meestal meermaals per dag, en dit vaak voor een jarenlange periode.
Wanneer men de medikatie vroegtijdig stopt bestaat er een grotere kans op een terugkeer van de aanvallen.
Hoe die medicijnen juist werken is nog niet bekend. Om aanvallen te kunnen tegengaan moet het lichaam beschikken over een kleine voorraad medikatie in het bloed, de bloedspiegel genaamd.

De lever breekt deze medikatie vrij snel af, zodat het nodig is deze regelmatig in te nemen om die voorraad op peil te houden.

Alle anti-epileptica hebben bijwerkingen, die niet alleen kunnen optreden bij een overdosering, maar ook bij een geringe dosis kan de patient last ondervinden omdat hij overgevoelig is voor het middel (zie Ikaroskrant jg.8 nr. 2 'Nevenwerkingen...').

De keuze van het anti-epilepticum wordt in de eerste plaats bepaald door het type aanval en het soort epilepsie, maar is heel individueel d.w.z. dat het soms moeilijk is voor een bepaald persoon het juist medikament te vinden, in de juiste dosering en zonder veel bijwerkingen maar met toch bevredigende resultaten wat betreft het onderdrukken van de aanvallen.
Niemand reageert op dezelfde manier op dezelfde medikatie/dosering!

Andere behandelingsvormen :

- Het al of niet aanvalsvrij worden kan ook soms sterk afhankelijk zijn van andere invloeden: het zich houden aan bepaalde leefregels zoals b.v. voldoende slaap, een regelmatige afwisseling van het biologisch ritme is zeer belangrijk.

- Zelfhulp, psychologische en maatschappelijke hulp kunnen ook een belangrijke rol spelen.

- Neurochirurgie gebeurt bij patienten met partiele aanvallen, die niet reageren op andere therapieen. Dit gebeurt enkel onder bepaalde voorwaarden en na een reeks grondige testen en onderzoeken.

- Alternatieve behandelingen: alternatieve geneeskunde biedt kennelijk voor sommige patienten hulp bij epilepsie en voor de meeste vormen ervan is er geen reden tot afwijzen als ze maar zinvol blijken.
Soms kunnen ze een psychologisch positief effekt geven, daar een alternatieve arts meer tijd en aandacht heeft voor de patient dan traditioneel opgeleide artsen.
Sommige veroorzaken of zijn een of andere vorm van ontspanning waardoor de patient zich rustiger gaat voelen, minder gestresseerd, en zodoende minder aanvallen krijgt.
Maar men mag geen valse verwachtingen scheppen en plotseling staken van de anti-epileptica, buiten de behandelende arts om, is sterk af te raden.
Het is dus van groot belang als patient een overleg te vragen of zelfs te eisen tussen de behandelende arts (neuroloog) en de alternatieve arts.

5.DE EERSTE HULP BIJ AANVALLEN

De vijf hoofdregels zijn:

1. Sla niet in paniek en blijf bij de patient.

2. Probeer te voorkomen dat hij tijdens de aanval (nog meer) letsel oploopt (b.v.voorwerpen waaraan hij zich kan kwetsen verwijderen).

3. Zorg dat de ademhaling, en dus de toevoer van zuurstof, zo weinig mogelijk gehinderd wordt.

4. Het tegenhouden van de schokkende bewegingen of iets tussen de tanden wringen is af raden en doet meer kwaad dan goed.

5. Behoed de patient voor onaangename ervaringen na de aanval, en vertel hem op een rustige manier wat er gebeurd is als hij terug bij bewustzijn is.

 Specifieke hulp bij de verschillende aanvalsvormen:

a.de tonisch-clonische aanval (grote aanval): - knellende kledingstukken losmaken, iets onder het hoofd leggen en proberen de patient in veiligheidshouding te leggen, het hoofd opzij zodat eventueel speeksel uit de mond kan vloeien en de tong de luchtpijp niet kan afsluiten.

- de patient niet laten drinken, hij is vaak te suf en de kans op verslikken is groot

- het is meestal niet nodig de 100-hulpdienst te bellen, de aanval gaat vanzelf over; medische hulp is w‚l nodig als de aanval niet over gaat, de schokken blijven duren (langer dan vijf minuten) en de patient niet tot het bewustzijn komt (status) of als deze zich door de aanval gekwest heeft

- de vijf hoofdregels toepassen

b.bij absences is geen direkte tussenkomst nodig, het bewustzijn komt snelterug, maar bij b.v. een kind in de klas is het nodig de gemiste leerstof te herhalen.
Indien zich een absence voordoet midden in het drukke verkeer kan er toch een gevaarlijk situatie ontstaan, waarbij het dan nodig is de persoon zo snel mogelijk in veiligheid te brengen.

c.de partieel complexe aanval gaat gepaard met verlaagd bewustzijn, en depatient doet vaak automatische bewegingen. Laat hem zijn gang gaan maar blijf in de buurt en voorkom dat de persoon in gevaarlijke situaties terecht komt zonder hem onder dwang te willen stilhouden, hij kan zich ertegen verzetten en mogelijk agressief reageren.

6. 1 OP 150 MENSEN HEEFT EPILEPSIE

Het merendeel van de personen met epilepsie hebben een normale intelligentie.
Epilepsie kan eventueel gepaard gaan met een mentale achterstand of psychische stoornis bij hersenbeschadiging.
Iedereen kan epilepsie krijgen, het heeft niets te maken met leeftijd, intelligentie of karakter en is ook niet besmettelijk of gevaarlijk voor de omgeving.
Onbegrip kan het voor mensen met epilepsie moeilijk maken te leven met hun aandoening. Het is daarom hard nodig dat iedereen begrijpt wat epilepsie is en aksepteert dat deze mensen niet anders zijn dan anderen!

Epilepsie is wat je hebt, niet wat je bent!!!
-------------------------
Geraadpleegde literatuur.

-Infofolders "Aspekten van epilepsie" Bureau Epilepsievoorlichting Nederland
-Brochure "Epilepsie"   Dr.Beintema
-"Epilepsie, het overvalt je telkens weer"   P.H.A.Voskuil
-"Integrale epilepsiebehandeling"   Drs.Knaven,  Prof.Dr.Meinardi,  C.Peper
-"Epilepsies et épileptiques. Questions et réponses" Ligue Française contre l'Epilepsie.
-----------------------


TERUG naar homepage